
|
|
God schiep mens en dier,
doch niet de marinier.
Deze creaturen,
schiep de duivel in zijn vrije uren.
![]()
Wie kent ze niet de meeste komen uit het boek
Auteur: J.Gravenstein, Kol.marn b.d.
VOORWOORD.
Aanvankelijk was het mijn bedoeling de verschillende humorvolle belevenissen
uit mijn rijke jaren binnen de gelederen van het korps, waarheidsgetrouw en
zelfs met naam en toenaam op schrift te stellen. Echter, het korps leeft,
dus het korps verandert.
Het stort zich als het ware van het ene avontuur in het andere onder snel
wisselende omstandigheden. Hoewel het korps - een keurkorps - graag
tradities wil koesteren kan en mag het zich niet onttrekken aan de snel
veranderende maatschappij.
Normen wijzigen zich in zeer hoog tempo.
Wat gisteren nog als buitengewoon serieus werd ervaren is heden
onbelangrijk, misschien zelfs wel lachwekkend.
Waar men thans met hart en ziel mee bezig is, daar haalt men morgen de
schouders over op.
Zo wordt de humor geboren uit de ernst.
Zowel mooie als slechte herinneringen bekommeren zich na verloop van tijd
niet meer om de waarheid.
Daarom heb ik besloten mijn pen maar te laten vloeien zonder aan te geven
waar de waarheid ophoudt en de fantasie begint, zonder namen te noemen en
zonder te vermelden waar voor mij de grens ligt tussen ernst en humor.
Het is daarbij niet mijn bedoeling, hoewel wellicht onvermijdelijk, dat
bepaalde personen als gevolg van de beschreven situatie in positieve of
negatieve zin worden herkend.
Het is mijn bedoeling dat kostelijke gebeurtenissen voor de toekomst worden
bewaard.
Ik hoop dat de marinier een stukje van zichzelf herkent.
Ik realiseer me dat de lezer, die geen marinier is, een wel heel bijzonder
gevoel voor humor moet hebben om de inhoud te kunnen waarderen.
J. Gravestijn
![]()
Luitenant ter zee vraagt aan de baksmeester,
korporaal der mariniers:
"Heb je de mannen al geinspecteerd?"
"Jawel, meneer," antwoordde de baksmeester.
"En? Waren er nog bijzonderheden?"
"Jawel, meneer, een paar kleinigheden, maar die heb ik inmiddels
rechtgetrokken!"
"Het is dus eigenlijk overbodig dat ik ook nog eens de mariniers
inspecteer?"
"Inderdaad, meneer, een inspectie is overbodig, maar u bent natuurlijk
van harte welkom voorlangs te lopen om de mannen te bewonderen."
![]()
Op een kritiek moment tijdens een spannende
oefening praatte
iedereen tegelijkertijd over de draagbare radio's (in het korps
ook wel lulmachines genoemd). Het gevolg was een grote chaos
op het radionet.
De commandant, die een dringende mededeling had, doch er niet
tussen kon komen, riep tenslotte vertwijfeld uit: "Jezus Christus,
hou eindelijk je klus op elkaar en luistert uit!"
Even was het stil op het net, maar toen klonk een voorzichtige stem:
"Dit is Jezus Christus, uw bericht ontvangen en begrepen. Over en uit!"
![]()
De krijgstucht
Art.1: De sergeant heeft altijd gelijk.
Art.2: In het - overigens zeer zeldzame, om niet te zeggen onbestaanbare
geval - dat de sergeant geen gelijk heeft,
is artikel 1 van toepassing.
![]()
Het geweer
Sergeant: "Van wie is dat geweer?"
Marinier: "Fan main."
Sergeant: "Van mij."
Marinier: "Fan jouw?"
Sergeant: "Van u!"
Marinier: "Zie je wel, dat het toch fan main is!
Dat zei ik toch al."
![]()
De commandant van een bivak in Nieuw Guinea gaf
zijn mannen
toestemming een baard te laten groeien. In de KM was het dragen van
baarden verboden, maar zo ver van de 'beschaving' leek het interessant
eens te zien wie binnen de duur van het bivak het mooiste exemplaar
kon fokken.
Bij het opbreken van het bivak moesten uiteraard alle baarden weer
verdwijnen. Eén v/d onderoff. echter vond zijn exemplaar zo mooi, dat
hij de speciale toestemming aan zijn commandant vroeg zijn baard te
mogen houden.
"Natuurlijk mag jij je baard houden," antwoordde de commandant,
"en ik heb nog wel een doos voor je om hem in te bewaren."
![]()
Mindere: "Heb ik dan geen recht op een
eigen mening?"
Meerdere: "Natuurlijk heb jij recht op een eigen mening!
Iedereen heeft recht op een eigen mening,
zolang die maar niet in strijd is met de mijne
![]()
In de tijd dat in de Koninklijke Marine de
salarissen nog contant werden uitbetaald, was het onvermijdelijk dat de officier
van administratie maandelijks met een grote som geld over straat moest. Om een
eventuele overval te voorkomen werd in die gevallen een gewapende marinier
meegestuurd om de officier van administratie te vergezellen.
Niet iedere marinier vatte zijn taak echter op dezelfde manier op. Toen de
commandant eens ter contróle aan zo'n marinier vroeg, wat nu eigenlijk zijn
opdracht was, antwoordde deze, zonder blikken of blozen: "Ik moet zorgen dat de
officier van administratie er niet met het geld vandoor gaat!"
![]()
Bij de lessen instructie-techniek werd het
kader geleerd een les samen met de klas op te bouwen o.a. door vragen te stellen
die de leerling dwingen zijn verstand te gebruiken.
Bij minder begaafde instructeurs bleef echter veelal slechts hangen dat er veel
vragen moeten worden gesteld.
Een les wapenleer kon dan als volgt verlopen.
"De miteleur van 7.62 m/m nr. 4. Hoe heet nou dat ding, Uit den Ketting?"
"De mitrailleur van 7.62 m/m nr. 4, sergeant."
"Ik zal het nog een keer herhalen, want je schijnt het niet te willen begrijpen.
De miteleur van 7.62 m/m nr. 4. Hoe heet-ie nou?"
"De mitrailleur van 7.62 nr. 4, sergeant."
"Als ik zeg miteleur, dan heet-ie miteleur. Jij met je 5-jarige HBS weet
natuurlijk beter dan ik, dat-ie in Frankrijk mitraljeur heet, maar je zit nu in
Nederland en dus is het gewoon miteleur. Gewoon miteleur, jongen, je hoeft de
zaken niet moeilijker te maken dan ze al zijn. Duidelijk?" Jawel, sezant!"
![]()
Sergeant: "Ik houd niet van mariniers die
niks anders weten te zeggen dan: Ja, sergeant. Sterker nog, ik heb de pest aan
al die lapswanzen en zakkenwassers die niet beters weten dan: Ja, sergeant.
Ja, ja, ja en nog eens ja. Ik word er strontziek van.
Ja, zeg je maar tegen je malle moer. Natuurlijk begrijp ik best dat je het met
me eens bent.
Natuurlijk snap ik ook wel dat je tegen mij geen "neen" kunt zeggen. Maar als je
een beetje fantasie hebt en wat goede manieren kan je voor de verandering ook
wel eens "Jawel sergeant" zeggen. Is dat begrepen?"Marinier: "Ja, sergeant.
![]()
Art.1. De sergeant heeft altijd gelijk.
Art.2. In het - overigens zeer zeldzame, om niet te zeggen onbestaanbare geval -
dat de sergeant geen gelijk heeft, is artikel 1 van toepassing.
![]()
De sergeant gaf les infanterie exercitie
aan een peloton marva's. Na verloop van tijd kwam de luitenant eens poolshoogte
nemen.
Hij was kennelijk niet tevreden met het resultaat, want hij riep de sergeant
terzijde en deelde hem verontwaardigd het volgende mede:
"Sergeant, een dergelijke vertoning heb ik nooit eerder gezien. De rechter guide
gaat zwaaiend met haar kont dwars uit, de linker guide loopt wijdbeens alsof zij
bij de cavalerie zit, nummer twee van het middelste gelid loopt op eieren en de
rest loopt alsof zij bang zijn dat hun kousen afzakken! Marva's zijn militairen
en die marcheren dus ook als militairen!"
"Jawel, luitenant," zei de sergeant. "Dat heb ik ook al gezegd. Maar het schijnt
dat er een besmettelijke ziekte is uitgebroken. Ze zeggen nagenoeg allemaal, dat
zij de mentuitie hebben, of zoiets.
![]()
Na een buitengewoon zware, meerdaagse
oefening werd in een geforceerd tempo teruggemarcheerd naar de kazerne in Doorn.
Behalve onze eigen wapens en uitrusting werd ook nog buitgemaakt materieel
meegetorst.
Slaapgebrek, oververmoeidheid, de hitte van de dag, het gewicht van alles dat
meegesjouwd moest worden en het hoge tempo werd sommigen teveel.
De één na de ander zakte in elkaar.
Een ziekenverpleger van de vloot, die zoiets nog nooit had meegemaakt, rende
naar voren.
Hier riep hij in paniek naar de kapitein die het tempo aangaf: 'Langzamer. U
loopt veel te snel, er zijn er al zes bewusteloos gevallen.'
Zonder het tempo te verlagen riep de kapitein terug: 'Geef die lui een zoutpil
en een schop onder hun reet.'
![]()
Bij een andere zware oefening zei de
dokter tegen de commandant:
'Onder deze omstandigheden kan ik de verantwoording niet langer dragen.'
'Dat hoeft ook niet dokter', zei de commandant, 'de verantwoording draag ik.'
![]()
Leden van de Tweede Kamer bezochten een
mariniersinrichting. Bij de rondgang over de kazerne werd een houten
legeringsbarak bezocht.
De commandant vertelde dat in die barak 120 mariniers waren gelegerd.
Eén der vrouwelijke leden van het gezelschap, die bijzonder geďnteresseerd was
in werken en welzijn van de manschappen, vroeg verbaasd:
"Er kunnen toch geen 120 mensen in zo'n kleine barak?"
"N een, inderdaad niet, mevrouw," zei de commandant, , ,maar dat heb ik ook niet
gezegd. Ik zei mariniers."
![]()
Een officier van de Koninklijke Marine,
een officier van de Koninklijke Landmacht en een sergeant der mariniers zijn
onderweg naar de hemel.
De sergeant loopt voorop en geeft het tempo aan.
De beide heren officieren volgen vol vertrouwen. Dat wil zeggen zij hebben het
volste vertrouwen in de sergeant.
Aan de andere kant moeten zij nog even wennen aan de nieuwe situatie.
De officieren zijn niet gewend te reizen zonder dat zij het reisdoel kennen,
terwijl de sergeant daar geen last van heeft.
Hij marcheert als vanouds met vertrouwen in zichzelf en in het tempo van de
gewone pas.
Bij de poort aangekomen, laat de sergeant de beide heren voorgaan.
Ene Petrus blijkt hier de wacht te hebben.
Deze richt zich tot de marine-officier met de woorden; 'Broeder, waar komt u
vandaan? En ... als ik vragen mag wat doet u vermoeden dat u zal worden
toegelaten tot de hemel?'
'Waarde meneer Petrus, ik kom uit Nederland. Misschien sta ik wel aan de
verkeerde poort, maar de sergeant heeft onderweg de leiding op zich genomen. Hij
leek me nogal zeker van zijn zaak. Ik hoop dat ik u niet lastig val. Om uw vraag
te beantwoorden: ik heb de Koninklijke Marine gediend; ik heb dus meegeholpen
met het openhouden van de zeewegen voor de vrije wereld. Overal ter wereld heb
ik mijn bemanning in de gelegenheid gesteld de kerkdienst te bezoeken.
En wanneer aan boord God's naam werd misbruikt, ben ik daar tegen opgetreden.
Hoewel, nu ik erover nadenk, wellicht niet consequent genoeg.'
'Genoeg, mijn broeder. U lijkt mij een goed mens. Mijn personeel zal echter uw
antwoorden moeten controleren, want wij gaan niet over één nacht ijs. Kom
intussen de wacht binnen en neem gerust plaats in die stoel links van mij.
Daarna wendde Petrus zich tot de collega van de Landmacht.’En u broeder, waar
komt u vandaan? En welk recht denkt u te hebben de hemel te mogen betreden?’ Ík
om uit Nederland, maar ik heb altijd in de Duitse laagvlakte gezeten om de
christelijke wereld te beschermen tegen het communisme.Tot heden met succes,
zoals u wellicht zult weten.
De pater, die God in mijn onderdeel vertegenwoordigt, is een persoonlijke vriend
van mij. Ik heb mijn vader en mijn moeder ..... ' 'Genoeg, genoeg, treed binnen
en neem tot nader order rechts van mij plaats.'
Petrus richt zich tenslotte tot de sergeant der mariniers. 'En u broeder, die zo
dapper voorop liep. Bent u wel aan de goede poort?'
'Tegen mij hoef je niet te ouwehoeren, Peter. In de eerste plaats ben ik je
broer niet en dat weet je donders goed. Ten tweede, maak ik zelf wel uit door
welke poort ik ga en tenslotte zou ik als ik jou was maar eens opstappen, want
je zit in mijn stoel!
![]()
WAAR HEEFT
DE MARINIER NOG MEER GEVOCHTEN?
Waar wij nog meer hebben gevochten? In het vaandel wordt ook nog vermeld:
West Indië, Doggersbank,Atjeh, Bali, Java Zee, Oost Java. Maar we hebben ook nog
gevochten in:Adjoen, Antwerpen, Ampenan, Abcoude, Analaboe, Alfen, Aroë, Almelo,
Amersfoort, Andernach, Ameide, Amsterdam, Sint Andries, Ankeveen, Argenteau,
Arnhem, Arguennens, Ath, Altona, Abary, Araby en Addabe creek, Antonia, Albert
kanaal, .....om maar eens wat te noemen. We hebben nu de A gehad. We hebben niet
het voornemen het gehele alphabet af te werken. Want daar is natuurlijk geen
beginnen aan. Wij zijn wel chauvinistisch, maar niet waanzinnig!
Men bladerde liever door de wereldatlas en men zegt dan maar bij iedere
bladzijde hardop tegen zichzelf: "Hier hebben de mariniers gevochten!".
Wij houden het wat eenvoudiger en zeggen: "Qua patet orbis" hebben wij
gevochten."
"Waarom hebben de mariniers overal gevochten?"
"De mariniers hebben overal gevochten, omdat in de loop der geschiedenis bleek,
dat er overal wat te vechten viel."
"Ja, dat is allemaal goed en wel! Maar wat is de oorzaak van al die gevechten?"
"Wat de oorzaak is van al die gevechten?" .
Dacht u nou werkelijk dat als wij aan het vechten zijn, we ook nog tijd hebben
om naar de oorzaak te zoeken? Wij zoeken niet naar de oorzaak, wij zoeken de
overwinning. De oorzaak is trouwens zelden te vinden., De overwinning weten we
echter over het algemeen wel te vinden. Tenslotte zijn wij mariniers, wij zijn
geen politici.
Politici dienen de oorzaak te weten. Zij zoeken echter de oorzaak van alle
ellende altijd bij anderen en vinden daarom ook niets. Eerst wanneer politici de
oorzaak bij zichzelf gaan zoeken, valt er wat te vinden. Maar een politicus die
een fout bij zichzelf vindt, wordt onmiddelijk uit de partij gestoten en is
politicus af.
Vragen worden gesteld aan de verliezers. Wij weten dus niet wat de oorzaak van
de gevechten is. Maar wij hoeven dat ook niet te weten. De minister van defensie
moet dat weten. Dat wil niet zeggen dat hij het weet, wij stellen slechts dat
hij het moet weten
Slechts bij uitzondering weten wij waarom we gevochten hebben. Zo hebben wij op
de Dam in Amsterdam gevochten omdat onze vrouwen lastig gevallen werden.Onze
vrouwen werden lastig gevallen op het Centraal Station nadat zij van ons
afscheid hadden genomen. Zij werden natuurlijk niet lastig gevallen tijdens het
afscheid, want daar waren wij zelf bij. De dapperen werden pas actief, nadat wij
met de trein naar Den Helder waren vertrokken. Wij hebben aan deze wekelijks
terugkerende pestilentie een einde gemaakt. Wij hebben hen op het Centraal
Station verrast, maar omdat zij te schijterig waren een confrontatie aan te
gaan, hebben we hen tot de Dam moeten achtervolgen.
Absoluut geen daad om trots op te zijn. maar wij waren wel voor goed van het
probleem af. "Blijf van m'n lijf" , hoor je in bepaalde kringen nogal eens
zeggen. Wat zegt de marinier: "Je mag gerust proberen aan mijn lijf te komen,
als je maar met je poten van mijn vrouw afblijft
Met andere woorden:” Blijf van haar lijf.Zijn de mariniers en matrozen voor hun
daden gestraft? Natuurlijk zijn ze gestraft.Waarom zijn ze gestraft?Zij zijn
gestraft omdat zij voor hun daden uitkwamen. Zij voelen zich verantwoordelijk
voor de gevolgen.
Zijn de relschoppers in Amsterdam gestraft? Welneen! Relschoppers worden niet
gestraft.Relschoppers worden wegens gebrek aan bewijs vrijgelaten, zo zij ooit
ter verantwoording worden geroepen.
![]()
|
|